Spring naar inhoud

Oh My God, Charlie Darwin

05/05/2010

Met deze column duiken we even in de evolutietheorie. Neen, niet die van Charles Darwin, wel die van Everett Rogers. Zijn ‘Diffusions of Innovations’ curve staat op het netvlies van vele marketeers gebrand. Termen als innovator-early adopter-early & late majority-laggards kennen we allemaal van de studieboeken.

Waarom halen we dit net nu weer vanonder het stof? Wel, het zijn boeiende economische tijden. Nog net niet The Great Depression and The Dust Bowl van de jaren ’30 in de vorige eeuw. Toch stelt de vraag zich wat een stevige crisis doet met zo’n ‘marketing-evolutietheorie’.

Volgen de productinnovaties elkaar trager op wegens minder investeringen in Research & Development bij de bedrijven? Of net sneller om op korte termijn de verkoop aan te zwengelen? Zijn er tijdens een recessie minder innovators en early adopters en veel meer laggards onder de consumenten? Of ontstaan er misschien zelfs ‘missing links’ omdat consumenten een paar stappen in de productevolutie overslaan om te besparen?

Laten we maar meteen concreet worden. Ik beken: ik gebruik nog altijd een scheersysteem met slechts twee mesjes. Die scheermesjes moet je wel bijna gaan zoeken in de vroegere Oostbloklanden. Nooit begrepen waarom ik een Gillette Fusion Power met 5 mesjes nodig zou hebben als het met die 2 van de gouwe ouwe Gillette Contour ook nog goed lukt. Ik zie geen significante meerwaarde voor die hogere prijs. Maar de dag komt dat ik de Contour niet meer zal kunnen kopen. Dan dwingen Gillette of Wilkinson mij een stap vooruit te zetten in de productevolutie. Qua scheermesjes had Rogers voor mijn categorie consumenten een nieuwe naam moeten bedenken: de ‘super laggards’ of misschien zelfs wel de ‘missing linkers’.

Toch kan je consumenten niet zomaar in een vakje stoppen. Dat bewijst het gegeven dat ik bij andere producten dan weer een typische innovator of early adopter ben. Toen de iPhone op de markt kwam, telden we makkelijk 500 euro neer om er eentje te bemachtigen. En het blijkt toch echt wel nuttig ‘speelgoed’ ten opzichte van die eerste gsm waarmee je enkel kon bellen en sms’en. We overwegen zelfs om een iPad te kopen. Of toch niet. Beter nog even wachten. Crisis hé. Oeps, daar verspringt de curve van Rogers al.

Tijd voor wat nostalgie. Van Commodore 64 over de PC met 8088 processor met floppy disk, en vervolgens van laptop naar iPad. Van koffie maken door heet water ‘op te gieten’ door een Melitta filter in een thermos, over koffiezetapparaat tot Senseo en design Nespresso. Van gewone fiets over BMX naar de eerste mountainbikes, nadien met verende voorvork om door de modder te fietsen. Van Betamax en Video 2000 over VHS en via DVD naar Blu-ray. Al pakt die mayonaise niet echt. Crisis? Of gewoon te weinig meerwaarde? Of slechte communicatie?

Er zijn zo van die productcategorieën waar een simpele evolutie nooit echt ingang heeft gevonden bij het brede publiek. Herkennen jullie deze situatie? 7am, hels kabaal komt uit de wekkerradio. Blijkt dat die analoge radiotuner weeral een eigen leven is gaan leiden en ipv mooi op Radio 1 af te stemmen voor De Ochtend, er één of andere ‘stoorzender’ decibels in je slaperige kop wil rammen. En eigenlijk bestaat er zoiets simpel als een digitale radiotuner. Waarom verkoopt men dan nog altijd meer radiowekkers met analoge tuner? Misschien wel om dezelfde reden als waarom ik het met slechts twee scheermesje blijf doen. Missing link bij consumenten?

En wat zal het deze zomer worden? Het traditionele barbecuestel met houtskool is blijkbaar al een tijdje ‘out’ ten voordele van de gasbarbecue. Maar deze zomer wil men ons meteen hele tuinkeukens laten kopen. En dat terwijl we onze gewone keuken in huis nog moeten renoveren. Toch maar weer een stap overslaan in die evolutietheorie?

De productinnovaties zijn soms evolutie, andere keren revolutie. Neem nu die 3D-televisies. Zie je de innovators al zitten in hun living rooms met die 3D-brilletjes? Misschien toch even wachten tot TV en laptop één scherm geworden zijn vooraleer die investering te doen? De late majority en laggards die volgens Rogers 50% van de consumenten uitmaken, zouden weleens een zware ¾ meerderheid kunnen worden.

Bedrijven die erin slagen om hun doelgroepen goed in te schatten op het vlak van adopteren als het om productinnovaties gaat, zullen altijd voorsprong houden. Duidelijke meerwaarde aantonen met authentieke communicatie. In die zin komen we dan toch weer bij Darwin zijn ‘Origin of Species’ uit, want de natuurlijke selectie is ook van toepassing op merken. Op dat vlak is Apple goed bezig een erg sterke ‘soort’ te worden. Terwijl we anderzijds stilaan ook een WWF kunnen opstarten, maar dan voor uitstervende merken.

Voor de non-believers van Darwin onder de marketeers, de merk-creationisten dus: jullie hoeven zich uiteraard geen zorgen te maken. De Schepper heeft immers alles onder controle, crisis of geen crisis.

Geert Keyaerts

strategic coach

geert@tiki.be

(deze column verscheen in PUB magazine 6, mei 2010)

Dedicated follower of what?

22/03/2010

Mocht Ray Davies vandaag zijn hit geschreven hebben, dan zou de titel niet ‘Dedicated follower of fashion’ geweest zijn. 35 jaar later is het eerder ‘dedicated follower of followers’.

Waar wil ik graag met u een bonsai boompje over opzetten? Over de vraag of we allemaal gek geworden zijn om iedereen 24/7 online te volgen in de vele soorten sociale media. Of is dat allemaal zo gek nog niet?

De laatste tijd krijgen we geregeld de vraag van klanten – maar ook van familie en vrienden – of ze nu al dan niet (veel) tijd moeten stoppen in sociale netwerken zoals Twitter, LinkedIn, Facebook, etc. Omwille van privé-redenen (in contact blijven met die verre suikertante in Canada) is voor de meesten nog aanvaardbaar en haalbaar. Voor je job extra tijd investeren in deze tools is blijkbaar een ander paar mouwen.

Er zijn believers en non-believers (die recent met z’n allen naar Elba verbannen werden). Maar er zijn ook nog een pak twijfelaars.

Sommige bedrijven zien al deze tools als een regelrechte bedreiging voor het productieniveau van hun medewerkers. Die verliezen tijd door constant hun status aan te passen van ‘in a relationship’ tot ‘it’s complicated’, een tweet te sturen om te zeggen dat ze een broodje smos-kaas gaan halen om de hoek of net lid geworden zijn van een groep voor én tegen Leterme. Alsof vroeger medewerkers geen praatjes maakten in de kantoren. Nu doen ze dat gewoon wereldwijd vanachter hun schermpjes. Het spreekt voor zich dat deze tools nuttiger zijn voor een communicatiestrateeg dan pakweg voor de magazijnier. Alhoewel. Veel managers en bedrijfsleiders weten niet hoe ze dit fenomeen moeten aanpakken en gooien dan maar het kind met het badwater weg.

Mensen zijn meer ‘connected’ dan ooit. Maar doordat iedereen verbonden is, weet ook iedereen van elkaar wat men zegt of doet. Als alles en iedereen verbonden is, dan valt niets nog op. Being everywhere does not mean being noticed.

Als je het even nuchter vanop een veilige afstand gaat bekijken, dan kan je je toch wel de vraag stellen of meer dan duizend mensen of bedrijven ‘volgen’ via Twitter wel een meerwaarde heeft. Gaan de nuances niet verloren in deze massa informatie? En de diepgang? Om nog niet te spreken over de kans op verslaving.

Nog een andere bedenking. Krijgen we door onze social media geen vertekend beeld van onze maatschappij? We kunnen dan wel veel friends, followers en contacts hebben, maar zou het kunnen dat die allemaal erg gelijkaardige profielen hebben? En dat we dus denken dat de maatschappij gelijk is aan dat kleine incrowd-wereldje? Gevaarlijke situatie voor een marketeer als u het mij vraagt.

Hoe kan een bedrijf nog opvallen als consumenten liever naar elkaar luisteren?

Too much choice, too little to say. Dat is het echt wel aan het worden voor vele merken op het web. Daarom is de vraag om al dan niet ‘aanwezig’ te zijn in verschillende kanalen, niet meer pertinent. Merken die nu nog niet deelnemen aan het gesprek, bestaan gewoon niet meer.

De echte vraag die merken zich moeten stellen is wie ze (willen) zijn in deze Global Conversation. Trendsetter, trendwatcher of trendfollower?

Komen we nog even terug op de aanwezigheidspolitiek op sociale netwerken voor individuen want er zijn gelijkenissen. Eigenlijk moet je je de vraag stellen wat je plannen zijn. Wil je beter doen dan de strafste trendwatchers? Vergeet dan die trektocht in Nepal, die wekelijkse sportactiviteiten, die bezoekjes aan musea en ja ook die fietstochtjes met de kinderen maar. Uren voor het scherm zijn jouw deel.

Maar het kan ook anders. Door heel selectief te zijn in wie je volgt. Fingerspitzengefûhl dus. Kiezen is niet noodzakelijk verliezen.

Voor zij die echt willen opvallen raden we aan om niet te volgen, maar de leiding te nemen. Door iets te doen, te bedenken, te schrijven, te creëren. Want geef toe, als we allemaal followers gaan worden van followers, wie gaat er dan nog voor de broodnodige innovatie zorgen?

Om bij The Kinks te blijven, wil ik graag afsluiten met ‘all day and all of the night’. Want zover is het ondertussen voor vele followers gekomen…

Geert Keyaerts

strategic coach

geert@tiki.be

(deze column verscheen in PUB 4, maart 2010)

Satan’s little helpers

18/02/2010

En dan vragen mensen mij waarom wij met ons nieuwe ‘duurzame’ coöperatieve communicatiebureau, het op een andere manier willen doen…

De onschatbare waarde van verontwaardiging

12/02/2010

‘Anger is an energy’ zong John Lydon van PIL. Negatieve energie spijtig genoeg.

In tegenstelling tot verontwaardiging. Want wat is er mooier dan iemand die oprecht verontwaardigd is over bepaalde mistoestanden?

Maar oprechte verontwaardiging dreigt uit te sterven. Het is niet meer ‘in’. Of erger nog, het is niet meer ‘salonfähig’ om openlijk verontwaardiging te tonen. Verontwaardiging zit nu in de categorie oude zeur, verzuring, criticaster, sarcast, onheilsprofeet,… en ga zo nog maar even door. Ten onrechte.

Volgens mij is verontwaardiging de basis voor verandering. En werd er in 2008 geen man verkozen met als verkiezingsslogan ‘change’? Dat vind ik ook zo sterk aan Obama: die man toont nog oprechte verontwaardiging. En het is steeds weer zijn drijfveer om een bepaald probleem aan te pakken. Hoog tijd dat we deze vorm van maatschappijkritiek terug de plaats toedelen die het verdient. Helemaal bovenaan.

Er zijn mensen die van verontwaardiging hun beroep gemaakt hebben. In het geval van Michael Moore dan nog op een erg grappige manier. Jean-Pierre Van Rossem zou iets van hem kunnen leren.

Anderen hebben verontwaardiging bijna verheven tot kunst. Ik ben het dikwijls oneens met Hugo Camps, maar hij weet zijn verontwaardiging heel mooi te verwoorden in zijn columns. Billy Bragg legt zijn ziel in zijn songs die bol staan van de verontwaardiging. Is verontwaardiging misschien iets typisch mannelijk? Helemaal niet. Sla er gewoon de lijst met Nobelprijswinnaars op na: Aung San Suu Kyi, Rigoberta Menchú, Moeder Theresa,… Er zijn zelfs organisaties die verontwaardiging in hun DNA hebben. Wat zouden Amnesty International, Artsen Zonder Grenzen en Greenpeace zijn zonder?

Al is de lijn tussen verontwaardiging en ergernis dun. Bij verontwaardiging is er altijd sprake van de intentie om iets te verbeteren of op te lossen. Zoniet blijf je steken in frustratie, ergernis en boosheid. En echte verontwaardiging is een teken van betrokkenheid. De andere optie is onverschilligheid. Of nog erger: cynisme. Is het dat wat we willen, een cynische samenleving?

Maar waarom val ik u, beste Pub-lezer, lastig met deze bedenkingen? Wel, omdat verontwaardiging ondertussen ook niet meer politiek correct blijkt te zijn in onze sector. Ik sta er van te kijken wat er tegenwoordig allemaal rustig de revue passeert zonder veel commotie te veroorzaken of stof te doen opwaaien. Er zijn al voor minder revoluties gestart. Zijn wij allemaal bang geworden? Was 2009 dan toch het Jaar van de Angst? Of wordt 2010 dat?

Waneer zijn reclamemensen nog eens oprecht verontwaardigd, en komen ze bovendien met een nieuw initiatief dat grensverleggend is? Denk maar aan Gerard en Bruno toen ze met GV Company afstapten van de 15% commissie op het bruto-bedrag van de media-investeringen als remuneratiesysteem. We zijn ondertussen al 20 jaar verder.

Vandaar deze schuchtere oproep om het thema verontwaardiging terug op de gespreksagenda te zetten. Ik wil mijn reclamecollega’s horen over mistoestanden in ons vak. Wanneer komen zij uit hun pijp?

Dus: toon gerust wat meer verontwaardiging als u iets meemaakt wat volgens u echt niet kan.

Breng het wel op een klassevolle, intelligente of grappige manier. De manier waarop bijvoorbeeld Linda De Win door sommige valse verontwaardigden op sociale media werd aangepakt over haar optreden in De Slimste Mens, is meer dan een brug te ver.

Let’s shake some dust!

(deze column verscheen in PUB 2, februari 2010)

Interview De Morgen

01/02/2010

Bizz magazine

29/01/2010

Interview PUB

26/01/2010

Nieuw communicatiebureau start competitie voor adverteerders

06/01/2010

a new communication agency… (coming soon)

05/01/2010

Dear friends,

I would like to wish all of you an amazing 2010 full of inspiration and happy moments.

We will start the year with the launch of a new communication agency. Quite a different one from the ones you already know.

Take a peek in ‘avant première’ and visit http://newcommunicationagency.wordpress.com or

http://www.facebook.com/home.php?#/group.php?gid=248333298798&ref=mf

to find out more.

Niet deelnemen is meestal belangrijker dan winnen.

23/12/2009

‘To pitch or not to pitch, that’s the question’ zou Shakespeare gezegd hebben had die man in de tijd zijn brood moeten verdienen met reclame maken.

Het hete hangijzer van de bureaucompetities staat weer helemaal bovenaan de agenda in ons reclamevak. Blijkbaar was 2009 niet enkel een donker jaar voor de economie en de financiële wereld, ook op het vlak van ‘wilde pitches’ brak dit jaar alle records.

We moeten hier niet flauw over doen, we kennen het fenomeen maar al te goed. Hier is een doorsnee scenario. Adverteerder is niet tevreden van reclamebureau(s), weet niet goed welk bureau hij/zij moet kiezen. Begint een lijstje samen te stellen met bureaus die ‘misschien wel interessant’ zijn. Komt al snel aan een 10-tal zeer diverse kandidaten. Die krijgen allemaal een mailtje ‘of ze geïnteresseerd zijn om voor merk x te werken’. Er is eerst wel een ‘consultatieronde’ met andere bureaus, staat in de kleine lettertjes of komt men te weten via een telefoontje achteraf. Blijkt al snel dat die consultatieronde een strategische en creatieve oefening vergt. Met budgetindicatie. Een briefing is erg vaag of onbestaande. Of zo uitgebreid dat quasi alle aspecten van het merk aan bod komen.‘Wegens geen tijd’ (sic). Tussendoor hengelen de bureaus naar antwoorden op de vragen hoeveel en welke bureaus er deelnemen,  en hoeveel rondes deze ‘pitch’ (want dat is het ondertussen geworden) in beslag gaat nemen? Hier en daar is er een durver die vraagt of het ACC/UBA competitiecharter zal gevolgd worden. Lees: ‘krijgen de verliezers een vergoeding?’ Meestal 1 van die durvers laat dan de vakpers weten dat zijn/haar bureau niet meer wil deelnemen aan die pitch. Al dan niet uit principe, maar meestal omdat er echt geen tijd is op de planning of om nog eens op te vallen bij de collega’s. Want laten we gerust toegeven, vele bureaus zijn nog altijd blij als een kind als er een uitnodiging voor een competitie in de bus valt.

Na een lange eerste longlist-ronde blijven er nog drie (of was het dan toch vier) bureaus in de running. De afvallers weten meestal niet waarom ze eruit liggen. De ‘winnaars’ krijgen ook geen de-briefing, maar wel een nieuwe vage ‘briefing’ voor de shortlist ronde. Uiteindelijk blijkt het een nek-aan-nek race te zijn en kan de adverteeder niet kiezen. Op naar de derde ronde met een ultieme creatieve- en budgetoefening van de twee protagonisten. Na maanden wint bureau x de ‘pitch’ die begon als een simpele consultatieronde maar eindigde als een monsterpitch waarin vele uren consultancy verloren gegaan zijn. De eerstvolgende campagne blijkt dan nog iets totaal anders te worden dan wat er uit die pitch kwam.

Hilarisch? Overdreven? Of toch herkenbaar? Ik geef toe, ik maak er soms graag een karikatuur van. Maar bovenstaand scenario heeft zich dit jaar meerdere keren voorgedaan in ons Belgische reclamewereldje. En dan hebben we het hier nog over behoorlijk grote merken met een aanzienlijk budget.

De kleinere drama’s spelen zich af onder de radar. Adverteerders met kleinere budgetten of met deelbudgetten van een groot merk, gooien te pas en te onpas ‘kleine offertevragen’ in het rond. Niks mis met een prijs vragen voor een bepaalde opdracht. Maar wat krijgen bureaus te horen die plichtsbewust hun huiswerk maken? ‘Jullie hebben een goed voorstel gedaan, maar een ander bureau is reeds verder gegaan in de uitwerking en heeft al creatieve oefeningen gedaan die ons bevallen.’ ‘Maar mevrouw, u vroeg ons enkel een budgetvoorstel te geven voor een specifieke opdracht?’ ‘We moeten allemaal de extra mile gaan in tijden van crisis.’ Achteraf blijkt dan dat voor dit ‘budgetvoorstel’, dat op drie dagen klaar moest zijn, nog drie andere bureaus gevraagd werden. Meestal total strangers voor de adverteerder.

En dan hebben we het nog niet over aanbestedingen gehad. Maar willen we daar eigenlijk nog wel over praten? Of is dat een hopeloze zaak?

We kunnen hier anecdotes blijven vertellen. Er kunnen zelfs boeken en tv-series over geschreven worden. Maar het is vooral zeer spijtig. Spijtig voor alle adverteeders die het wel goed aanpakken. Die goede voorbeelden inspireren hun collega-adverteerders blijkbaar niet genoeg. Misschien moet er nog een zoveelste reclameprijs bijkomen: award voor de best georganiseerde pitch. Mét geldprijs. Of kunnen we de ‘advertiser personality of the year’ enkel uitreiken aan adverteeders met een clean pitch blazoen?

Nu heb ik de afgelopen 15 jaar aan beide kanten van de vergadertafel gezeten. Niet alleen heb ik aan bureauzijde meerdere keren aan dit soort ‘wilde pitches’ deelgenomen (you win some, you loose some more), ik heb als adverteerder zelf een paar pitches georganiseerd. Zo weinig mogelijk. Altijd volgens het boekje. Niet omdat ik dan een bank vooruit mocht. Gewoon omdat het de enige garantie is op kwaliteit en zo weinig mogelijk tijdverlies voor de adverteerder zelf. Ik kan me dus wel een beetje inleven in beide partijen. Bureaus moeten steeds op zoek naar nieuwe klanten om die allesbepalende groei te realiseren. Competities zijn dan een evidente keuze. En adverteerders kennen de markt van de reclamebureaus niet altijd even goed. Zeker niet nu er die vreemde digitale bureaus bijgekomen zijn. Zij zijn dus ‘zoekende’. Ze zouden nochtans best vetrekken vanuit vertrouwen geven aan een partner op lange termijn. En die kan reeds gevonden worden na een aantal chemistry meetings. Een competitie met vele rondes is zeker geen garantie op succes en doet alleen maar afbraak aan het vertrouwen.

Maar ik heb begrip voor de zondaars. Ik kan niet geloven dat ze allemaal van slechte wil zijn. Volgens mij hebben vele adverteerders nooit echt geleerd hoe ze het best aanpakken en moeten samenwerken met bureaus. Repressie is dan niet de beste remedie. En het ACC moet opletten dat de tone-of-voice niet die richting uitgaat. We kunnen die onervaren adverteerders helpen. Vanuit bureaus is dat echter moeilijk. ‘Slecht nieuws’ of een moeilijke boodschap brengen aan potentiële klanten is niet het sterkste punt van een reclamebureau.

Andere oplossingen? Waarom wijst het ACC de CEO’s niet op hun verantwoordelijkheid? Zij bepalen toch hoe hun bedrijf omgaat met leveranciers? En zij kunnen hun marketing, communicatie, brand en product managers toch vragen om de selectie van een communicatiepartner op lange termijn zo efficiënt mogelijk aan te pakken. Want wat zou een CEO ervan denken als hij de (momenteel uiteraard onbestaande) timesheets van zijn marketing manager zou zien die vele uren aan een eindeloze pitch heeft besteed? Was dat niet die man/vrouw die onlangs nog om versterking van zijn/haar afdeling kwam vragen?

Het laatste woord is hierover duidelijk nog niet gezegd en geschreven. Maar omdat het zo belangrijk is voor ons vak, doe ik graag mijn duit in het zakje met deze post.

PS ik weet dat blogposts kort moeten zijn. Daar zondig ik met plezier al geruime tijd tegen. Ik doe er nog een schepje bovenop: hierbij de open brief van het ACC aan alle adverteerders.

Open brief van de ACC aan alle adverteerders

Hierbij de open brief die Luc De Leersnyder (ceo van de Association of Communication Companies) schreef en bedoeld is om adverteerders erop te wijzen dat er het afgelopen jaar te veel bureaucompetities op een erg ongepaste manier zijn georganiseerd die een negatieve weerslag zullen hebben op de hele reclamemarkt. Hij is getiteld “Competities mogen geen kansspel worden.”

De voorbije 30 jaar is al heel wat gezegd over bureaucompetities. Op seminaries, in de vakpers en nog vaker op recepties. In de jaren ‘90 stelden de UBA en het ACC een charter op met een gedragscode voor “pitches”. Elke belangrijke speler in de markt heeft die ondertekend. Een van de voornaamste punten van dat charter is dat er nooit méér dan drie bureaus (of vier indien het uittredende bureau meedoet) mogen uitgenodigd worden voor een competitie. Maar wat zien we recent? Minstens twee belangrijke competities hebben heel wat bureaus zo ver (ik schreef bijna zo “zot”) gekregen dat ze bereid waren om zwaar in te zetten om een nieuwe klant binnen te halen. De gevraagde bureaus belanden daardoor eerst op een longlist. En daarna mogen ze heel diep gaan om in de shortlist te komen. En als ze het geluk hebben om daar te raken, mogen ze nog eens op hun uitgeput elan verder tot aan de finish.

Dit gebeurt natuurlijk niet toevallig in de ergste economische crisis die wij ooit gekend hebben. De nood is hoog, dus de goede voornemens en principes zijn veraf.

Maar toegegeven: de verantwoordelijkheid voor wat er gebeurt, is gedeeld. It takes two to tango.

De bureaus moeten natuurlijk hun verantwoordelijkheid nemen maar ook de adverteerders gaan niet vrijuit. Hoe zou u de praktijk noemen die erin bestaat om ettelijke agentschappen gedurende weken hun beste beentje te laten voorzetten om dan uiteindelijk met één bureau in zee te gaan en de rest uitgeteld en onvergoed achter te laten? Verwerpelijk cynisme? Puur opportunisme? Of gewoon de wet van vraag en aanbod?

Als pakweg tien bureaus een pitch ernstig nemen (en dat doen ze), komt dat op een gezamenlijke investering van zo’n slordige 800.000 €, zoals onlangs gebeurde.  Zei er iemand dat het crisis was?

Dat een adverteerder zich afkeert van een door hem ondertekende gedragscode zegt misschien iets over de gedragscode, maar ze zegt zeker ook iets over de adverteerder. Dit is bijzonder spijtig. Voor de hele sector. Want slechte voorbeelden worden – helaas – maar al te vaak overgenomen. Wanneer zullen adverteerders eindelijk eens begrijpen dat ook zij hier vroeg of laat slachtoffer van zullen zijn? Waar moeten bureaus de tijd en de middelen blijven halen voor deze moordende dansmarathons?

Het is hoogtijd dat hier een einde aan komt. Elke competitie die niet volgens de regels van het UBA/ACC charter verloopt, is niet alleen schadelijk voor de marketingwereld maar is bovenal inefficiënt en contraproductief. Een bureau selecteren, is een kwestie van vertrouwen, van wederzijds aanvoelen en aftasten, van geestdrift, van verkennen en overleggen. Kortom van … communicatie. Een speculatieve competitie is vooral een verkeerd signaal de wereld insturen. U wil kwantiteit in de hoop dat er vanzelf kwaliteit zal tussenzitten. Van één ding kunt u echter zeker zijn: er zal zelden of nooit een sluitend antwoord op uw specifieke merkproblematiek uit voortkomen, omdat die campagnes in de eerste plaats tot doel hebben de competitie te winnen. U bent dus de doelgroep geworden in plaats van uw consument.

Vandaag is het tijd om het roer te keren. Vandaar ook deze Open Brief. Want het kan ook anders. Zo hebben we een bijzonder belangrijke adverteerder geconfronteerd met onze argumenten en die heeft in zijn en ons belang de geplande speculatieve competitie vervangen door een eerlijke, creatieve, motiverende, minder tijdrovende en minder geldverslindende procedure. Kortom, een procedure waarbij de regels van het charter worden gerespecteerd.

Het begin van een nieuw tijdperk? Daar willen we met plezier in geloven. Nu u nog.